De of het linguïst?

Het juiste lidwoord is:

de linguïst

  • Meervoud: de linguïsten
  • Verkleinwoord: het linguïstje
Betekenis (beroep, taalkunde) beoefenaar van de taalkunde

Zo gebruik je linguïst

Met lidwoordde linguïst
Dit of dezedeze linguïst
Dat of diedie linguïst
Ons of onzeonze linguïst
Jouwjouw linguïst
Elk of elkeelke linguïst
Welk of welkewelke linguïst?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote linguïst, de grote linguïst
Meervoudde linguïsten, deze linguïsten

Voorbeeldzinnen met linguïst

  • Ik wil linguïst worden.

Woorden die eindigen op linguïst

psycholinguïst

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Woorden die beginnen met linguïst

linguïstiek

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).