De of het leenschuld?

Het juiste lidwoord is:

de leenschuld

  • Meervoud: de leenschulden
Betekenis een schuld die men heeft gekregen omdat men geld heeft geleend

Zo gebruik je leenschuld

Met lidwoordde leenschuld
Dit of dezedeze leenschuld
Dat of diedie leenschuld
Ons of onzeonze leenschuld
Jouwjouw leenschuld
Elk of elkeelke leenschuld
Welk of welkewelke leenschuld?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote leenschuld, de grote leenschuld
Meervoudde leenschulden, deze leenschulden

Voorbeeldzinnen met leenschuld

  • Omdat de verwachte waardevermeerdering momenteel rond de tien procent per jaar lag, en de inflatie ook in de buurt van tien procent, kwamen deze transacties, ceteris paribus …
  • Om een grote leenschuld te voorkomen, zoeken ze een bijbaan.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).