De of het ijshockeyseizoen?

Het juiste lidwoord is:

het ijshockeyseizoen

  • Meervoud: de ijshockeyseizoenen
  • Verkleinwoord: het ijshockeyseizoentje
Betekenis (sport, tijdrekening) periode van het jaar dat men ijshockey kan spelen

Zo gebruik je ijshockeyseizoen

Met lidwoordhet ijshockeyseizoen
Dit of dezedit ijshockeyseizoen
Dat of diedat ijshockeyseizoen
Ons of onzeons ijshockeyseizoen
Jouwjouw ijshockeyseizoen
Elk of elkeelk ijshockeyseizoen
Welk of welkewelk ijshockeyseizoen?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot ijshockeyseizoen, het grote ijshockeyseizoen
Meervoudde ijshockeyseizoenen, deze ijshockeyseizoenen

Voorbeeldzinnen met ijshockeyseizoen

  • Het ijs was aan het smelten in het Vasaparken en dat betekende het eind van het ijshockeyseizoen, en daarmee ook het eind van het meisjestikkertje spelen, maar dat was geen grote zorg …
  • De start van het ijshockeyseizoen is tot 1 december uitgesteld in verband met de coronacrisis.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).