De of het huwelijksgoed?

Het juiste lidwoord is:

het huwelijksgoed

  • Meervoud: de huwelijksgoederen
  • Verkleinwoord: het huwelijksgoedje
Betekenis de bezittingen en schulden van gehuwden, die standaard in een wettelijke gemeenschap vallen, maar via notariële huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden kunnen worden aangepast

Zo gebruik je huwelijksgoed

Met lidwoordhet huwelijksgoed
Dit of dezedit huwelijksgoed
Dat of diedat huwelijksgoed
Ons of onzeons huwelijksgoed
Jouwjouw huwelijksgoed
Elk of elkeelk huwelijksgoed
Welk of welkewelk huwelijksgoed?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot huwelijksgoed, het grote huwelijksgoed
Meervoudde huwelijksgoederen, deze huwelijksgoederen

Woorden die beginnen met huwelijksgoed

huwelijksgoederenregister

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).