De of het huispersoneel?

Het juiste lidwoord is:

het huispersoneel

Betekenis (beroep) mensen die in een woning huishoudelijke taken verrichten

Zo gebruik je huispersoneel

Met lidwoordhet huispersoneel
Dit of dezedit huispersoneel
Dat of diedat huispersoneel
Ons of onzeons huispersoneel
Jouwjouw huispersoneel
Elk of elkeelk huispersoneel
Welk of welkewelk huispersoneel?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot huispersoneel, het grote huispersoneel

Voorbeeldzinnen met huispersoneel

  • Ze wisten dat het aan het leger was om te vechten, en dat als het leger dat niet kon …
  • In Boston zijn op een veiling twee parkeerplaatsen samen verkocht voor 560.000 dollar, zo'n 420.000 euro. De vrouw die ze heeft gekocht wil de ruimte gebruiken voor gasten en huispersoneel.

Woorden die eindigen op huispersoneel

ziekenhuispersoneel

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).