De of het huishuur?

Het juiste lidwoord is:

de huishuur

  • Meervoud: de huishuren
Betekenis de hoeveelheid geld die je moet betalen aan de eigenaar van de woning, om een bepaalde tijd in de woning te mogen wonen

Zo gebruik je huishuur

Met lidwoordde huishuur
Dit of dezedeze huishuur
Dat of diedie huishuur
Ons of onzeonze huishuur
Jouwjouw huishuur
Elk of elkeelke huishuur
Welk of welkewelke huishuur?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote huishuur, de grote huishuur
Meervoudde huishuren, deze huishuren

Voorbeeldzinnen met huishuur

  • Je moest de huishuur betalen (die thuis werd opgehaald), net als gas en licht.
  • Frans Schmal: Bij een aow en een klein pensioentje wat neerkomt op ca Euro 1450,00 houdt men niets meer over als men bedenkt dat huishuur, zorgkosten …

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).