De of het huisbewoner?

Het juiste lidwoord is:

de huisbewoner

  • Meervoud: de huisbewoners
Betekenis 1. persoon die niet in een woonwagen woont maar in een huis 2. persoon die in een bepaalde woning woont

Zo gebruik je huisbewoner

Met lidwoordde huisbewoner
Dit of dezedeze huisbewoner
Dat of diedie huisbewoner
Ons of onzeonze huisbewoner
Jouwjouw huisbewoner
Elk of elkeelke huisbewoner
Welk of welkewelke huisbewoner?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote huisbewoner, de grote huisbewoner
Meervoudde huisbewoners, deze huisbewoners

Voorbeeldzinnen met huisbewoner

  • De woonwagencultuur dient te worden behouden. Net zomin als er onderscheid mag worden gemaakt op basis van ras, mag dat op basis van het verschil woonwagenbewoner of huisbewoner.
  • Andere huisbewoners zijn een man en een vrouw.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).