De of het hotelpersoneel?

Het juiste lidwoord is:

het hotelpersoneel

Betekenis mensen die in loondienst werken bij een hotel

Zo gebruik je hotelpersoneel

Met lidwoordhet hotelpersoneel
Dit of dezedit hotelpersoneel
Dat of diedat hotelpersoneel
Ons of onzeons hotelpersoneel
Jouwjouw hotelpersoneel
Elk of elkeelk hotelpersoneel
Welk of welkewelk hotelpersoneel?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot hotelpersoneel, het grote hotelpersoneel

Voorbeeldzinnen met hotelpersoneel

  • Als wij weg zijn om te trainen, reinigen kamermeisjes de boel. Ze dragen net als wij mondkapjes en dat geldt ook voor het weinige andere hotelpersoneel. Het geeft een spooky aanblik.
  • Vooral hotelpersoneel zit met de handen in het haar. De afgelopen maand zaten de hotels in de stad op een bezettingsgraad tussen de twintig en dertig procent.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).