De of het grensganger?

Het juiste lidwoord is:

de grensganger

  • Meervoud: de grensgangers
  • Verkleinwoord: het grensgangertje
Betekenis 1. persoon die in het ene land woont en in het andere land zijn werk heeft 2. persoon die de landsgrens oversteekt

Zo gebruik je grensganger

Met lidwoordde grensganger
Dit of dezedeze grensganger
Dat of diedie grensganger
Ons of onzeonze grensganger
Jouwjouw grensganger
Elk of elkeelke grensganger
Welk of welkewelke grensganger?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote grensganger, de grote grensganger
Meervoudde grensgangers, deze grensgangers

Voorbeeldzinnen met grensganger

  • Hij loopt als grensganger verschillende steunregelingen mis, in Nederland én Duitsland.
  • Onlangs kwam een grensganger die verdwaalde om het leven door onderkoeling, toen het plotseling koud werd in de bergen.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).