De of het feestweekend?

Het juiste lidwoord is:

het feestweekend

  • Meervoud: de feestweekenden / feestweekends
  • Verkleinwoord: het feestweekendje
Betekenis weekeinde waarin men een feest viert

Zo gebruik je feestweekend

Met lidwoordhet feestweekend
Dit of dezedit feestweekend
Dat of diedat feestweekend
Ons of onzeons feestweekend
Jouwjouw feestweekend
Elk of elkeelk feestweekend
Welk of welkewelk feestweekend?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot feestweekend, het grote feestweekend
Meervoudde feestweekenden, deze feestweekenden

Voorbeeldzinnen met feestweekend

  • Van 2 tot en met 5 juni is het hoogtepunt: een extra lang feestweekend.
  • En tijdens dat feestweekend wordt vaak flink wat drugs gebruikt."

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).