De of het familiebezit?

Het juiste lidwoord is:

het familiebezit

Betekenis 1. iets waar een familie (al generaties lang) eigenaar van is 2. iets wat door privépersonen bezeten wordt

Zo gebruik je familiebezit

Met lidwoordhet familiebezit
Dit of dezedit familiebezit
Dat of diedat familiebezit
Ons of onzeons familiebezit
Jouwjouw familiebezit
Elk of elkeelk familiebezit
Welk of welkewelk familiebezit?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot familiebezit, het grote familiebezit

Voorbeeldzinnen met familiebezit

  • Zijn studie wordt geen succes. Hij geeft haar in 1847 op en neemt zijn intrek op het ouderlijk landgoed, dat na de verdeling van het familiebezit zijn eigendom is geworden.
  • Kasteel Duivenvoorde was 800 jaar familiebezit, maar straks niet meer

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).