De of het carnavalsseizoen?

Het juiste lidwoord is:

het carnavalsseizoen

  • Meervoud: de carnavalsseizoenen
Betekenis tijd van het jaar dat men carnaval voorbereidt en viert beginnend 11 november en eindigend op as-woensdag

Zo gebruik je carnavalsseizoen

Met lidwoordhet carnavalsseizoen
Dit of dezedit carnavalsseizoen
Dat of diedat carnavalsseizoen
Ons of onzeons carnavalsseizoen
Jouwjouw carnavalsseizoen
Elk of elkeelk carnavalsseizoen
Welk of welkewelk carnavalsseizoen?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot carnavalsseizoen, het grote carnavalsseizoen
Meervoudde carnavalsseizoenen, deze carnavalsseizoenen

Voorbeeldzinnen met carnavalsseizoen

  • Na de oproep zetten ook de zuidelijke gemeenten Heerlen, Kerkrade en Brunssum een streep door feesten op 11 november, traditioneel de start van het carnavalsseizoen.
  • De aftrap van het carnavalsseizoen in het zuiden van Limburg op 11 november mag doorgaan.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).