De of het buurtgenoot?

Het juiste lidwoord is:

de buurtgenoot

  • Meervoud: de buurtgenoten
  • Verkleinwoord: het buurtgenootje
Betekenis iemand die heel dichtbij woont, op loopafstand; vaak met de bijbetekenis dat mensen om die reden een gemeenschap vormen

Zo gebruik je buurtgenoot

Met lidwoordde buurtgenoot
Dit of dezedeze buurtgenoot
Dat of diedie buurtgenoot
Ons of onzeonze buurtgenoot
Jouwjouw buurtgenoot
Elk of elkeelke buurtgenoot
Welk of welkewelke buurtgenoot?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote buurtgenoot, de grote buurtgenoot
Meervoudde buurtgenoten, deze buurtgenoten

Voorbeeldzinnen met buurtgenoot

  • Elke zondag gingen ze op een nabijgelegen veldje vliegeren, en langzamerhand kwamen er steeds meer buurtgenoten met een eigen vlieger aanzetten.
  • We speelden veel buiten met buurtgenootjes.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).