De of het bouwondernemer?

Het juiste lidwoord is:

de bouwondernemer

  • Meervoud: de bouwondernemers
Betekenis eigenaar van een bouwonderneming

Zo gebruik je bouwondernemer

Met lidwoordde bouwondernemer
Dit of dezedeze bouwondernemer
Dat of diedie bouwondernemer
Ons of onzeonze bouwondernemer
Jouwjouw bouwondernemer
Elk of elkeelke bouwondernemer
Welk of welkewelke bouwondernemer?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote bouwondernemer, de grote bouwondernemer
Meervoudde bouwondernemers, deze bouwondernemers

Voorbeeldzinnen met bouwondernemer

  • Die praktijken hebben bij elkaar zo'n 155.000 patiënten. De investeerders zijn bouwondernemer Wessels en de familie Fentener van Vlissingen.
  • Tot vorige maand werd nog nadrukkelijk met de Bredase bouwondernemer Karel Vrolijk gesproken over de verkoop van de club.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).