De of het bouwklimaat?

Het juiste lidwoord is:

het bouwklimaat

  • Meervoud: de bouwklimaten
  • Verkleinwoord: het bouwklimaatje
Betekenis (economie, bouwkunde) heersende algemene (economische) toestand in het bouwbedrijf

Zo gebruik je bouwklimaat

Met lidwoordhet bouwklimaat
Dit of dezedit bouwklimaat
Dat of diedat bouwklimaat
Ons of onzeons bouwklimaat
Jouwjouw bouwklimaat
Elk of elkeelk bouwklimaat
Welk of welkewelk bouwklimaat?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot bouwklimaat, het grote bouwklimaat
Meervoudde bouwklimaten, deze bouwklimaten

Voorbeeldzinnen met bouwklimaat

  • Ze vormen met elkaar een aardige afspiegeling van het bouwklimaat in het land: de 258 inzendingen voor de jaarlijkse Gebouw-van- het-Jaarverkiezing …

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).