De of het boerengezin?

Het juiste lidwoord is:

het boerengezin

  • Meervoud: de boerengezinnen
  • Verkleinwoord: het boerengezinnetje
Betekenis echtpaar met kinderen dat leeft en werkt op een agrarisch bedrijf

Zo gebruik je boerengezin

Met lidwoordhet boerengezin
Dit of dezedit boerengezin
Dat of diedat boerengezin
Ons of onzeons boerengezin
Jouwjouw boerengezin
Elk of elkeelk boerengezin
Welk of welkewelk boerengezin?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot boerengezin, het grote boerengezin
Meervoudde boerengezinnen, deze boerengezinnen

Voorbeeldzinnen met boerengezin

  • De familie Heeg verdient niet veel aan de productie van de mest-stroom, maar het kost het boerengezin ook niets.
  • De jonge Kipchoge, afkomstig uit een groot boerengezin in het plaatsje Kaptagat, zag Sang dagelijks trainen en hoorde over hem op de radio als de buurman internationaal goed presteerde.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).