De of het binnenschaal?

Het juiste lidwoord is:

de binnenschaal

  • Meervoud: de binnenschalen
Betekenis 1. harde, gebolde omhulling die zich weer binnen een vergelijkbare omhulling bevindt 2. vlakke ondiepe kom die zelf weer in een wat grotere vergelijkbare kom past

Zo gebruik je binnenschaal

Met lidwoordde binnenschaal
Dit of dezedeze binnenschaal
Dat of diedie binnenschaal
Ons of onzeonze binnenschaal
Jouwjouw binnenschaal
Elk of elkeelke binnenschaal
Welk of welkewelke binnenschaal?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote binnenschaal, de grote binnenschaal
Meervoudde binnenschalen, deze binnenschalen

Voorbeeldzinnen met binnenschaal

  • Het type wijkt vrij sterk af van dat van de Marekerk: het is geen centraal achtkant omgeven door een ‘enveloppe’, maar één enkele koepelruimte …
  • De pan bestaat uit twee delen: een aardewerken binnenschaal en een metalen buitenpan met een verwarmingselement.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).