De of het beroepspoliticus?

Het juiste lidwoord is:

de beroepspoliticus

  • Meervoud: de beroepspolitici
Betekenis (politiek, beroep) iemand die politiek bedrijft als (blijvend) beroep

Zo gebruik je beroepspoliticus

Met lidwoordde beroepspoliticus
Dit of dezedeze beroepspoliticus
Dat of diedie beroepspoliticus
Ons of onzeonze beroepspoliticus
Jouwjouw beroepspoliticus
Elk of elkeelke beroepspoliticus
Welk of welkewelke beroepspoliticus?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote beroepspoliticus, de grote beroepspoliticus
Meervoudde beroepspolitici, deze beroepspolitici

Voorbeeldzinnen met beroepspoliticus

  • De Jager benadrukte dat hij altijd heeft gezegd dat hij geen beroepspoliticus is voor langere tijd. "En daar moet je dan de consequenties uit trekken", zei hij.
  • In een eerste spotje wordt Santorum neergezet als een beroepspoliticus die alleen maar geld wil uitgeven.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).