De of het belener?

Het juiste lidwoord is:

de belener

  • Meervoud: de beleners
Betekenis iemand die geld leent bij een bank met achterlating van een waardevol pand als zekerheid voor de bank

Zo gebruik je belener

Met lidwoordde belener
Dit of dezedeze belener
Dat of diedie belener
Ons of onzeonze belener
Jouwjouw belener
Elk of elkeelke belener
Welk of welkewelke belener?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote belener, de grote belener
Meervoudde beleners, deze beleners

Voorbeeldzinnen met belener

  • Het filiaal in de Bijlmer, daar gevestigd sinds 1990, is de grootste groeier. Zestig procent van de beleners is van buitenlandse komaf, schat Peter Fehr van de Stads-bank.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).