De of het basisschoolleraar?

Het juiste lidwoord is:

de basisschoolleraar

  • Meervoud: de basisschoolleraren / basisschoolleraars
  • Verkleinwoord: het basisschoolleraartje
Betekenis iemand die lesgeeft op een school voor leerlingen die tussen de 4 en 12 jaar oud zijn

Zo gebruik je basisschoolleraar

Met lidwoordde basisschoolleraar
Dit of dezedeze basisschoolleraar
Dat of diedie basisschoolleraar
Ons of onzeonze basisschoolleraar
Jouwjouw basisschoolleraar
Elk of elkeelke basisschoolleraar
Welk of welkewelke basisschoolleraar?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote basisschoolleraar, de grote basisschoolleraar
Meervoudde basisschoolleraren, deze basisschoolleraren

Voorbeeldzinnen met basisschoolleraar

  • Door de jaren heen is mijn stem een krachtig en effectief gereedschap geworden. Maar mijn basisschoolleraar zei vroeger al dat ik leed aan verbale diarree, omdat ik steeds maar aan het praten was.
  • Het gaat om 150 docenten op een beroepsgroep van 250.000,” stelt basisschoolleraar Thijs Roovers. Dat clubje is volgens hem te klein om representatief te zijn.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).