De of het aspergeteler?

Het juiste lidwoord is:

de aspergeteler

  • Meervoud: de aspergetelers
Betekenis (landbouw, beroep) iemand die asperges kweekt

Zo gebruik je aspergeteler

Met lidwoordde aspergeteler
Dit of dezedeze aspergeteler
Dat of diedie aspergeteler
Ons of onzeonze aspergeteler
Jouwjouw aspergeteler
Elk of elkeelke aspergeteler
Welk of welkewelke aspergeteler?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote aspergeteler, de grote aspergeteler
Meervoudde aspergetelers, deze aspergetelers

Voorbeeldzinnen met aspergeteler

  • Misstanden bij Brabantse aspergeteler: zeven dagen per week werken
  • "Het is beroerd", zegt een aspergeteler uit Drempt tegen Omroep Gelderland.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).