De of het amateurtijdperk?

Het juiste lidwoord is:

het amateurtijdperk

  • Meervoud: de amateurtijdperken
  • Verkleinwoord: het amateurtijdperkje
Betekenis de tijdsperiode dat een activiteit uit liefhebberij werd uitgevoerd en niet beroepsmatig

Zo gebruik je amateurtijdperk

Met lidwoordhet amateurtijdperk
Dit of dezedit amateurtijdperk
Dat of diedat amateurtijdperk
Ons of onzeons amateurtijdperk
Jouwjouw amateurtijdperk
Elk of elkeelk amateurtijdperk
Welk of welkewelk amateurtijdperk?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot amateurtijdperk, het grote amateurtijdperk
Meervoudde amateurtijdperken, deze amateurtijdperken

Voorbeeldzinnen met amateurtijdperk

  • Maar dat was in het stenen tijdperk geweest, of in elk geval in het amateurtijdperk.
  • Laver deed het eerder in het amateurtijdperk, in 1962.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).