De of het afroeper?

Het juiste lidwoord is:

de afroeper

  • Meervoud: de afroepers
  • Verkleinwoord: het afroepertje

Zo gebruik je afroeper

Met lidwoordde afroeper
Dit of dezedeze afroeper
Dat of diedie afroeper
Ons of onzeonze afroeper
Jouwjouw afroeper
Elk of elkeelke afroeper
Welk of welkewelke afroeper?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote afroeper, de grote afroeper
Meervoudde afroepers, deze afroepers

Meervoud, verkleinwoord en vertaling: WikiWoordenboek, licentie CC BY-SA 4.0.