De or het hebben?

The correct Dutch article is:

het hebben

Meaning (Dutch) het bezit

How to use hebben

the hebbenhet hebben
this hebbendit hebben
that hebbendat hebben
our hebbenons hebben
your hebbenjouw hebben
every hebbenelk hebben
which hebben?welk hebben?
a big hebben / the big hebbeneen groot hebben, het grote hebben

Example sentences with hebben

  • Dat hebben we geprobeerd. “We tried that.”
  • Wil je het hebben? “Do you want it?”
  • Ik wil het hebben. “I want to have it.”

Dutch words ending in hebben

liefhebben | weghebben | deelhebben | doorhebben | voorhebben | plaatshebben | vasthebben

In compound words, the last part decides the article. See the rule

Meaning, plural, diminutive, pronunciation and translations: WikiWoordenboek (Dutch Wiktionary) (CC BY-SA 4.0). Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).