De or het weekend?

The correct Dutch article is:

het weekend

  • English: weekend
  • Plural: de weekenden / weekends
  • Diminutive: het weekendje
Meaning (Dutch) (tijdrekening) periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht

How to use weekend

the weekendhet weekend
this weekenddit weekend
that weekenddat weekend
our weekendons weekend
your weekendjouw weekend
every weekendelk weekend
which weekend?welk weekend?
a big weekend / the big weekendeen groot weekend, het grote weekend
the weekend (plural)de weekenden, deze weekenden

Example sentences with weekend

  • Ben je vrij dit weekend? “Are you free this weekend?”
  • Ik moet dit weekend werken. “I have to work this weekend.”
  • Bent u dit weekend vrij? “Are you free this weekend?”

Meaning, plural, diminutive, pronunciation and translations: WikiWoordenboek (Dutch Wiktionary) (CC BY-SA 4.0). Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).