De or het zelfvertrouwen?

The correct Dutch article is:

het zelfvertrouwen

  • English: self-confidence, self-reliance
Meaning (Dutch) geloof in eigen vermogen, kunde of kracht

How to use zelfvertrouwen

the self-confidencehet zelfvertrouwen
this self-confidencedit zelfvertrouwen
that self-confidencedat zelfvertrouwen
our self-confidenceons zelfvertrouwen
your self-confidencejouw zelfvertrouwen
every self-confidenceelk zelfvertrouwen
which self-confidence?welk zelfvertrouwen?
a big self-confidence / the big self-confidenceeen groot zelfvertrouwen, het grote zelfvertrouwen

Example sentences with zelfvertrouwen

  • Tom heeft zijn zelfvertrouwen terug gekregen. “Tom has gotten his confidence back.”
  • "Ik kan niet toestaan dat zelfvertrouwen verandert in zelfgenoegzaamheid." ““I can't let any confidence become complacency.””
  • "Ik mag niet toestaan ​​dat zelfvertrouwen verandert in zelfgenoegzaamheid." ““I can't let any confidence become complacency.””

Meaning, plural, diminutive, pronunciation and translations: WikiWoordenboek (Dutch Wiktionary) (CC BY-SA 4.0). Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).