De or het reisdag?

The correct Dutch article is:

de reisdag

  • Plural: de reisdagen
  • Diminutive: het reisdagje
Meaning (Dutch) 1. een dag die men besteedt aan reizen 2. meeteendheid om de duur van een reis aan te geven

How to use reisdag

the reisdagde reisdag
this reisdagdeze reisdag
that reisdagdie reisdag
our reisdagonze reisdag
your reisdagjouw reisdag
every reisdagelke reisdag
which reisdag?welke reisdag?
a big reisdag / the big reisdageen grote reisdag, de grote reisdag
the reisdag (plural)de reisdagen, deze reisdagen

Example sentences with reisdag

  • De traditionele gratis reisdag van NS vindt plaats op zondag 2 april, de laatste zondag van de Boekenweek.
  • Wie de ergste files en vertragingen wil vermijden doet er volgens de organisatie goed aan een andere reisdag dan zaterdag te kiezen of op die dag pas rond het middaguur vanuit Nederland te vertrekken.

Dutch words starting with reisdag

reisdagboek

Meaning, plural, diminutive, pronunciation and translations: WikiWoordenboek (Dutch Wiktionary) (CC BY-SA 4.0). Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).