De or het planttijd?

The correct Dutch article is:

de planttijd

  • Plural: de planttijden
Meaning (Dutch) de periode van het jaar die geschikt is voor het planten van gewassen en andere planten

How to use planttijd

the planttijdde planttijd
this planttijddeze planttijd
that planttijddie planttijd
our planttijdonze planttijd
your planttijdjouw planttijd
every planttijdelke planttijd
which planttijd?welke planttijd?
a big planttijd / the big planttijdeen grote planttijd, de grote planttijd
the planttijd (plural)de planttijden, deze planttijden

Example sentences with planttijd

  • Op internet heeft ze gelezen dat de planttijd in april begint, door de zachte winter dit jaar zelfs nog eerder.
  • Voor narcissen is september een goede planttijd, met het planten van tulpen zou ik nog even wachten.

Meaning, plural, diminutive, pronunciation and translations: WikiWoordenboek (Dutch Wiktionary) (CC BY-SA 4.0). Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).