De or het kleinhandelaar?

The correct Dutch article is:

de kleinhandelaar

  • English: retailer
  • Plural: de kleinhandelaren / kleinhandelaars
  • Diminutive: het kleinhandelaartje
Meaning (Dutch) 1. (beroep) een handelaar die zijn producten aan consumenten verkoopt. 2. (economie) een bedrijf dat zich richt op de verkoop van producten aan consumenten.

How to use kleinhandelaar

the retailerde kleinhandelaar
this retailerdeze kleinhandelaar
that retailerdie kleinhandelaar
our retaileronze kleinhandelaar
your retailerjouw kleinhandelaar
every retailerelke kleinhandelaar
which retailer?welke kleinhandelaar?
a big retailer / the big retailereen grote kleinhandelaar, de grote kleinhandelaar
the retailer (plural)de kleinhandelaren, deze kleinhandelaren

Example sentences with kleinhandelaar

  • De kleinhandelaar koopt zijn goederen van de groothandelaar.

Meaning, plural, diminutive, pronunciation and translations: WikiWoordenboek (Dutch Wiktionary) (CC BY-SA 4.0). Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).