De czy het: seizoen?
Poprawny niderlandzki rodzajnik:
het seizoen
- Polski: sezon
- Liczba mnoga: de seizoenen
- Zdrobnienie: het seizoentje
Znaczenie (po niderlandzku)
1. (tijdrekening, eenheid) elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt, en gekenmerkt wordt door astronomische en klimatologische eigenschappen
2. een jaarlijks terugkerende periode
Jak używać seizoen
| rodzajnik określony (the) | het seizoen |
|---|---|
| ten / ta / to (this) | dit seizoen |
| tamten / tamta / tamto (that) | dat seizoen |
| nasz / nasza / nasze (our) | ons seizoen |
| twój / twoja / twoje (your) | jouw seizoen |
| każdy / każda / każde (every) | elk seizoen |
| który / która / które? (which) | welk seizoen? |
| z przymiotnikiem (groot = duży) | een groot seizoen, het grote seizoen |
| liczba mnoga | de seizoenen, deze seizoenen |
Przykładowe zdania ze słowem seizoen
- Het seizoen verloopt goed. “The season is going well.”
- In welk seizoen zitten we? “What season are we in?”
- Dit is het seizoen voor verse thee. “This is the season to pick fresh tea.”
Znaczenie, liczba mnoga, zdrobnienie, wymowa i tłumaczenia: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Przykładowe zdania: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).