De czy het: paspoort?
Poprawny niderlandzki rodzajnik:
het paspoort
- Polski: paszport
- Liczba mnoga: de paspoorten
- Zdrobnienie: het paspoortje
Znaczenie (po niderlandzku)
officieel document dat de houder identificeert als burger van een bepaald land, en toestemming vraagt in de naam van de regering van het uitgevende land om de houder in het land toe te laten
Jak używać paspoort
| rodzajnik określony (the) | het paspoort |
|---|---|
| ten / ta / to (this) | dit paspoort |
| tamten / tamta / tamto (that) | dat paspoort |
| nasz / nasza / nasze (our) | ons paspoort |
| twój / twoja / twoje (your) | jouw paspoort |
| każdy / każda / każde (every) | elk paspoort |
| który / która / które? (which) | welk paspoort? |
| z przymiotnikiem (groot = duży) | een groot paspoort, het grote paspoort |
| liczba mnoga | de paspoorten, deze paspoorten |
Przykładowe zdania ze słowem paspoort
- Mijn paspoort is verlopen. “My passport has expired.”
- Hier is mijn paspoort. “Here's my passport.”
- Iemand heeft mijn paspoort gestolen. “Someone stole my passport.”
Więcej niderlandzkich słów
Znaczenie, liczba mnoga, zdrobnienie, wymowa i tłumaczenia: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Przykładowe zdania: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).