De czy het: minstreel?

Poprawny niderlandzki rodzajnik:

de minstreel

  • Polski: trubadurzy
  • Liczba mnoga: de minstreels / minstrelen
  • Zdrobnienie: het minstreeltje
Znaczenie (po niderlandzku) 1. (middeleeuwen, cultuur, muziek, verouderd) een in het Zuid-Frankrijk van weleer, langs kastelen en vorstenhoven rondreizend kunstenaar, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten … 2. (cultuur, muziek, verouderd) een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, muzikant, zanger van liedjes en komediant

Jak używać minstreel

rodzajnik określony (the)de minstreel
ten / ta / to (this)deze minstreel
tamten / tamta / tamto (that)die minstreel
nasz / nasza / nasze (our)onze minstreel
twój / twoja / twoje (your)jouw minstreel
każdy / każda / każde (every)elke minstreel
który / która / które? (which)welke minstreel?
z przymiotnikiem (groot = duży)een grote minstreel, de grote minstreel
liczba mnogade minstreels, deze minstreels

Przykładowe zdania ze słowem minstreel

  • Nog lang bleef het eigenaardige gezang van de minstreels in haar hoofd naklinken.
  • Met z'n grappen en vrolijke wijsjes bracht de minstreel het publiek in een uitgelaten stemming.

Znaczenie, liczba mnoga, zdrobnienie, wymowa i tłumaczenia: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Przykładowe zdania: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).