De czy het: gastheer?

Poprawny niderlandzki rodzajnik:

de gastheer

  • Polski: gospodarz
  • Liczba mnoga: de gastheren
  • Zdrobnienie: het gastheertje
Znaczenie (po niderlandzku) 1. een man die een gast ontvangt en verzorgt met eten en drinken 2. (biologie) een organisme dat een ander organisme draagt

Jak używać gastheer

rodzajnik określony (the)de gastheer
ten / ta / to (this)deze gastheer
tamten / tamta / tamto (that)die gastheer
nasz / nasza / nasze (our)onze gastheer
twój / twoja / twoje (your)jouw gastheer
każdy / każda / każde (every)elke gastheer
który / która / które? (which)welke gastheer?
z przymiotnikiem (groot = duży)een grote gastheer, de grote gastheer
liczba mnogade gastheren, deze gastheren

Przykładowe zdania ze słowem gastheer

  • De gastheer sneed de kalkoen aan voor de gasten. “The host cut the turkey for the guests.”
  • De alien is een kleine intelligente multidimensionale parasiet die zich hecht aan het zenuwstelsel van de gastheer. “The alien is a small intelligent multidimensional parasite that attaches to the host's nervous system.”

Znaczenie, liczba mnoga, zdrobnienie, wymowa i tłumaczenia: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Przykładowe zdania: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).